Schema’s als didactische hulpmiddelen

Tijdens de verkenning van de inhouden van de zoölogie bleek dat deze zo complex zijn dat het noodzakelijk was om diverse schema’s te ontwikkelen. Om het greep krijgen op de materie te kunnen garanderen.

Het fylogenetisch schema - een eerste schema - kon ontleend worden aan Claus Nielsen’s morfologisch onderzoek. Met dat schema wordt (a) een overzicht gegeven van alle dierenfyla, en (b) wordt de grond getoont van de gegeven ordening. Het schema geeft ook de gelijkwaardigheid van de fyla t.o.v. elkaar aan. Het schema toont de historische genese van de fyla en van elk fylum op zich. De cruciale ontogenese, bepalend voor het kunnen leven in het toegevallen milieu, is zichtbaar. Daarmee is ook het meest eigene van de soorten t.o.v. elkaar gegeven, en zichtbaar.

Het clusterschema is een comprimering van het Nielsen-schema en heeft tot doel de adolescenten te tonen hoe een verdere categorisering van de bestaande fyla mogelijk is.

Het Aspecten-Schema is van betekenis omdat het de totaliteit van ‘het dier’ uiteenlegt in aspecten. Er worden elf aspecten onderscheiden die alle met elkaar in relatie staan. In hoofdcategorieën zijn dat:

* dierlijven zijn materie, levende substantie, moleculen-complexen;

** lokale dierpopulaties zijn existentiële eenheden; zij bestaan als onderscheiden lokale populaties;

*** dierlijven zijn bouwsels met een eigen 'design'; deze lijven worden opgebouwd in de begintijd van hun bestaan (embryogenese, ontogenese);

**** de lokale dierenpopulaties zijn gehelen van bewerktuiging-tot-competenties.die stuk voor stuk gezien en bestudeerd zullen moeten worden om de dier-totaliteit te kunnen overzien en begrijpen.

In die zin is dit schema een echt werk-instrument bij de zoölogische practica.

Het aspectenoverzicht wijkt af van de meeste gebruikelijke benaderingen in de zoölogie. Het schema gebruikend wordt ‘het dier’ in zíjn existentiële volheid ten tonele gevoerd. Het schema maakt het de adolescenten mogelijk elke diersoort volgens hetzelfde basisprincipe te bestuderen en later te ‘ontmoeten’.

Het V-schema (met de horizontale V-vorm) geeft zicht op het gegeven dat met de historische fylo-genese de historische onto-genese heeft plaatsgevonden.

De paleontologische tijdbalken hebben als schema’s een aparte status binnen dit bestek. Deze zijn lineair, wat wil zeggen dat op ca. zes meter lange papierstroken de evolutionaire geschiedenis van ‘het leven op aarde’ in de opeenvolgende staten schematisch zichtbaar is. In deze versie is alleen Balk D meegenomen (rechtoplopende hominiden).