Deel II

BIOLOGISCH ANTWOORD

OP PEDAGOGISCH-ONDERWIJSKUNDIGE INSTIGNATIE

 ADOLESCENTEN

krijgen antwoord

vanuit de biologie

Deel II IS BEDOELD ALS EEN SCHETS VAN EEN ONDERWIJSPROGRAMMA

WAARMEE ANTWOORD GEGEVEN WORDT OP DE EXISTENTIňLE VRAAG UIT HOOFDSTUK 1

Deze schets van een onderwijsprogramma

- aanvullend op de bestaande onderwijsprogrammaís -

is gebaseerd op inhouden

uit het bestand aan kennis en inzichten

van de wetenschap der biologie.

De hoofdstukken 2 t/m 8

Er is maar een wetenschap die in staat is afdoend te antwoorden op Ďfysiekeí existentiŽle vragen. Dat is de biologie. De hoofdstukken 2 t/m 8 zijn gewijd aan het vaststellen van de biologische inhouden welke binnen het onderwijs gepresenteerd zouden moeten worden om de adolescenten in staat te stellen tot diep en vergaand weten te komen van wat zij zijn. Het voorgestelde biologisch schoolprogramma is enerzijds theoretisch (tot zich nemen van relevante kennis en inzichten uit de zoŲlogie), anderzijds ontmoetend (in het veld observeren van de dierenpopulaties). Er wordt voorzien in vier observatie-practica.

 

HET VOORGESTELDE BIOLOGIE-ANTWOORD OP DE EXISTENTIňLE VRAAG  WORDT VERSTREKT IN DRIE PARTEN:

HOOFDSTUKKEN 2 T/M 3 THEORETISCHE VERHANDELINGEN

HOOFDSTUKKEN 4 T/M 7 ZO÷LOGISCHE PRACTICA

HOOFDSTUK 8 PALEONTOLOGISCHE STUDIES

ALGEMENE INLEIDING OP DE HOOFDSTUKKEN 2 T/M 8

WAAROM IS BIOLOGIE (ZO÷LOGIE) GEKOZEN ALS ANTWOORDENDE DISCIPLINE?

    

Als pedagoog de existentiŽle vraag gehoord hebbend, valt aan de lezer moeilijk uit te leggen waarom ik onmiddellijk greep naar de wetenschappelijke biologie om het antwoord te formuleren.

Het ligt het meest voor de hand dat de beschouwende vraag 'Ik vind raar dat ik besta' ter hand genomen moet worden door de wetenschappers die 'het levend bestaande' als studieobject hebben. De vraag is alleen: wat heeft de wetenschap van 'het levende' aangaande het levende te vertellen? Wat heeft die wetenschap in de loop van de vierhonderd jaren van onderzoek en studie aan kennis en inzichten opgebouwd? Bevat haar kennis en haar inzichten het antwoord aan de vragende jongens en meisjes? En hoever strekt dat antwoord? De vraag naar het eigen bestaan houdt tevens de vraag in naar het bestaan zoals ik besta. En de vraag naar 'hoe het levend bestaan' tot bestaan gekomen is. De vraag naar 'de gronden' van het bestaan.

In het kader van deze studie is nagegaan wat de hedendaagse wetenschap te weten beschikbaar heeft. In de hoofdstukken 2 t/m 8 is dat weten uitgestald en beschreven als 'te bestuderen leerstof', als te verwerven inzichten. Verder dan het aanreiken van kaders kon ik niet komen in dit bestek. Waarbij dan in aanmerking moet worden genomen dat mijn kennis van de biologie en de paleontologie en de geschiedenis van het biologisch onderzoek nog steeds beperkt is. Dat is mijns inziens geen ramp. Door vakspecialisten in de biologie en de onderwijskunde kan bepaald worden hoe anno 2004 het binnen de biologie bekende, het gewetene, voor de jongens en meisjes bereikbaar kan worden gemaakt.

 

Het zal in de volgende hoofdstukken gaan om het neerzetten van een schets van een onderwijsprogramma, waarvan, qua inhoud en werkwijze, redelijkerwijze verwacht mag worden dat het de vragende adolescenten brengt tot het doorzien van de plaats van henzelf in het aardse bestaan; tot het doorzien van de aardse[1] tijd, tot het doorzien van het 'goed'-zijn van het als mens bestaan; en hen brengt tot de capabiliteit de aardse dierenpopulaties mee te nemen in hun persoonlijke bestaan.

Die schets wordt gepresenteerd in de hoofdstukken 2 t/m 8. Geschetst wordt wat in de schooljaren geleerd en gedaan zou moeten worden.

Ik zou alle genummerde items, zoals genoemd in het uitgebreide inhoudsoverzicht, kunnen opsommen. En aan de biologieleraar de verdere invulling overlaten. Dat doe ik niet omdat dan het gevaar bestaat dat aan de pedagogische doelstelling voorbij wordt gegaan. Het gevaar bestaat dan dat de Adolescenten geleerd wordt om vanuit de wetenschap, als aankomend wetenschapper, op afstand en onbetrokken te denken over de bestudeerde en geobserveerde dierenpopulaties.

Ik werk de items vrij uitvoerig uit, omdat ik mťt de wetenschappelijke bewust kille en afstandelijke kwantitatieve benadering, een benadering vanuit het perspectief van de Adolescenten en vanuit de existentiŽle vraag de Adolescenten, tot doorzien wil brengen. Het gaat om betrokken observeren, betrokken denken over, betrokken op de eigen existentie die zich, samen met die van alle bestaande dierenpopulaties, spiegelt voor de denkende en ziende Jongens en Meisjes. Dat 'betrokken' slaat op de diep-interne wens de eigenheid van dier-entiteiten (reŽle historische zijnden) te zien, om deze te 'onmoeten' en mee te kunnen nemen in het eigen bestaan.

 

De antwoordende boodschap aan de Adolescenten zal zijn dat wij mensen zijn omdat wij dieren zijn. Het antwoord wordt pas ontvangen, het dringt pas door, de consequenties worden pas overzien, als de Adolescenten 'in diepte' te weten zijn gekomen wat 'de dieren' zijn. De hoofdstukken 2 t/m 7 zijn gewijd aan de poging tot dat diep weten te komen.

Allereerst zal ervoor gezorgd moeten worden dat de Adolescenten op papier de dieren die de zeeŽn en continenten bevolken gaan overzien. Het in het veld zoeken en observeren van de omringende dierenpopulaties dient, in de praktijk van het onderwijs, tegelijkertijd met de papierstudie uitgevoerd te worden. Gebeurt dit niet dan blijft de realiteit van de actuele dierindividuen buiten de bestaansbeleving van Adolescenten. Hoewel zuivere zoŲlogie wordt nagestreefd heeft de schoolbiologie een ruimere intentie. Het direct kunnen herkennen van de dieren als levend-zijn zoals ikzelf levend ben is de uitdrukkelijke basis van het leerprogramma. Deze dimensie is voor alle zoŲlogen steeds inclusief, maar bij de scholieren die de levende wereld van 'de levenden' willen verkennen is het uitbouwen van de dimensie 'levend-zijn zoals ikzelf' werkdoel van het onderwijs. Hierdoor onderscheidt schoolbiologie zich van de andere schoolvakken. Het in het veld zoeken en observeren van de omringende dierenpopulaties wordt in de hoofdstukken 4, 5 en 7 beschreven.[2]

Voor het biologieonderwijs geldt dat in de lessen gesproken wordt over een werkelijkheid die de meeste Adolescenten niet van nabij en niet door eigen ontmoeting kennen. Ze weten dat er regenwormen zijn, jongetjes rapen er soms eentje op en gooien hem naar hun zusje dat gillend wegrent. Pa spit de tuin en spit de plaatselijke regenwormen moeiteloos in tweeŽn. Wat overigens voor de regenwormen niet altijd een onoplosbaar probleem oplevert. Hetzelfde zusje zit op paardrijden. En heeft een cavia in een hokje. En het laat de hond uit. En hangt pinda's op voor de mezen. Maar al dat gedoe met speeldieren levert geen diepere inzichten op.

 

Het 'existentiŽle' antwoord aan de Adolescenten vergt 'ontmoetend' kennis maken met de actuele dierenpopulaties. Opdat zij deze, ook de regenwormen, uiteindelijk op kunnen nemen in hun eigen bestaan. Door de dieren veelvuldig te bestuderen zullen zij zelf, middels diep begrip van het dier-zijn diep begrip kunnen krijgen van zichzelf als mens. Het hier geschetste schoolprogramma wil een weg zijn naar dierontmoetingen die 'impact' krijgen.

De hoofdstukken 2 t/m 8 bevatten de beschrijving van de inhouden en werkwijzen die tezamen het materiaal moeten vormen voor een biologieprogramma voor het havo- en vwo-onderwijs. Uit die categorie scholieren komt de existentiŽle vraag voort (H.1). Op de leeftijden waarvoor dat onderwijs bestemd is (13-18) zijn de Adolescenten min of meer capabel geraakt om complexere leerstof aan te kunnen. Dit biologieprogramma zal de Adolescenten die het volgen, in staat stellen om zichzelf juist die kennis en inzichten te verwerven die hen inzicht verschaffen in hun eigen fysieke staat.

De inhouden worden zo concreet mogelijk beschreven. Blijken zal dat het zelfbegrijpen vijf lagen van zaakbeschouwing vergt:

- algemeen dier-begrijpen, begrijpen van het gezamenlijk lijf-zijn in populaties;

- zoogdier-begrijpen, begrijpen van het specifieke en omvattende van het zoogdier-zijn; (met

  'omvattend' wordt de totaliteit als zodanig bedoeld);

- primaat-begrijpen, begrijpen van het specifieke en omvattende van het primaat-zijn;

- chimpansee-begrijpen: begrijpen van het specifieke en omvattende van het chimpansee-zijn

  (Pan troglodytes en Pan paniscus);

- begrijpen van het specifieke en omvattende van het constituant zijn van de eigen Lokale Mensenpopulatie.

 

Omdat Adolescenten deel uitmaken van de dierenwereld en dus zelf ook dier zijn zal het kenmerkende van dier-zijn bestudeerd moeten worden.

Aan het begin van die studie liggen drie vragen:

"Wat zijn er voor dieren op de wereld?"

"Hoe zitten die dieren in elkaar?"

"Hoe kan het dat dieren zo in elkaar zitten?"

Tijdens de zoektocht naar de wijze van beantwoording van de zojuist geformuleerde vragen is een nieuw inzicht ontstaan dat aanleiding gegeven heeft tot een bijzonder onderwijsdoel. Dat doel houdt in de biologielessen zo vorm en inhoud te geven dat het de Adolescenten mogelijk wordt om door hun studeren en observeren de omringende dierenpopulaties binnen te halen in hun persoonlijke bestaan. En de dierenpopulaties in hun persoonlijke bestaan mee te nemen als historische mede-levenden. Deze extra doelstelling 'doorstraalt' de eerdere puur cognitieve doelstellingen. Deze wat cryptisch klinkende doelformulering, niet direct passend binnen de natuurwetenschappelijke biologie, maar daarop wel ten volle steunend, verwijst naar de titel: existentieel biologieonderwijs.

Om het antwoord op de existentiŽle vraag vanuit de biologie te kunnen geven is het nodig te beseffen dat het typische van biologische studies gelegen is in de noodzaak tot het opzoeken en ter plekke volgend observeren[3] van de in het water en op het land levende organismen. Daarbij is voor deze wetenschap typerend dat de aandacht voor het levende studieobject gedragen wordt door het aan en in zichzelf beleefde levend-zijn.

Daarbij en tegelijkertijd wordt het aangetroffen anderssoortige levende rationeel en afstandelijk geanalyseerd en de levende systemen worden zo diep mogelijk doorgrond. Daarbij wordt alle beschikbare kennis van chemie en fysica ingezet. Daarbij wordt, impliciet, alle zelfkennis als levend-zijnd ingezet. In de praktijk van de schoolstudies zal er dus steeds een dubbele aanpak nodig zijn, die van (a) de organismen met eigen ogen zien in hun zelfrealisatie en (b) vervolgens en tegelijkertijd die van het geziene wetenschappelijk benoemen en abstract begrijpen.

 

De opzet van deze hoofdstukken

Om zulks in school te kunnen verwezenlijken is de onderstaande opzet gekozen.

Aan de Adolescenten zal in eerste instantie overzicht geboden moeten worden van het grote veld van de levende dierenpopulaties. De biologieleraren zullen daarbij de Adolescenten moeten behoeden voor verwarring en ontmoediging. Dat kan door de Adolescenten overzicht te verschaffen van de waaier aan grote diercategorieŽn zoals Claus Nielsen die uittekende. De wens tot het verschaffen van overzicht leidde tot de schets van de dierenwereld zoals die in de hoofdstukken 2 en 3 gegeven wordt. De hoofdstukken 2 en 3 zijn overigens papierstudies, het zijn studies van publicaties met teksten en afbeeldingen betreffende

- de staat van de 31-fyla-dierenpopulaties anno 2004 [H.2].

(In de volgende teksten wordt de benoeming 'Lokale Populatie eenheid' afgekort tot Lokale Populatie.)

- de staat van de chimpansees, de Pan troglodytes- & Pan paniscus-populaties, en van de Homo-sapiens-populaties anno 2004 [H.3].

N.B. Voor de Adolescenten is studie van publicaties onvoldoende om in essentie hun vraag beantwoord te krijgen. Zodra een voldoende oriŽntatie plaatsgevonden heeft zal aan het directe ontmoeten van de dierenwereld begonnen moeten worden. De hoofdstukken 4. 5. 6. en 7 zijn daartoe opgezet en ingericht.

 

Door de studies van de auteur ten behoeve van hoofdstuk 2 konden twee basisschema's ontstaan, die in terugkoppeling weer verder bepalend waren voor de inhoudgeving van datzelfde hoofdstuk 2. Deze schema's zijn de grote hulpmiddelen geworden om de Adolescenten te helpen greep te krijgen en te houden op de actuele dieren-werkelijkheid. De schema's worden genoemd (a) Nielsens fylogenetisch schema en het daaruit afgeleide Clusterschema en (b) Het Aspecten-Schema.

 

Het directe ontmoeten van de dierenwereld door de Adolescenten zal plaats vinden door via de school VIER ZO÷LOGISCHE PRACTICA:

 

- ZO÷LOGIE-Practicum 1 (H.4) 'ontmoeten' van de Lokale Populatie van de 31-fyla-dieren anno 2004 door volgend bestaansobserveren[4] in het veld;

- ZO÷LOGIE-Practicum 2 (H.5) 'ontmoeten' van de Lokale Populatie van de 31-fyla-dieren anno 2004 uit de diverse clusters in hun ontogenese door het met eigen ogen zien middels microscopie-studies van hun de embryonale en organogenetische ontwikkeling;

- ZO÷LOGIE-Practicum 3 (H.6) 'ontmoeten' Pan-troglodytespopulaties & Pan-paniscus-populaties anno 2004 door volgend bestaansobserveren in Afrika en in Arnhem;

- ZO÷LOGIE-Practicum 4 (H.7) 'ontmoeten' van de Homo-sapienspopulaties anno 2004 door volgend bestaansobserveren van de Homo-populaties in de wereldsteden van alle continenten.

 

Tegelijkertijd zal van al de bestudeerde dierenpopulaties in diepte begrepen moeten worden dat deze 'staan in de tijd'. De Lokale Populatie kunnen als almaardoorlevend bestempeld worden.

In hoofdstuk 8 wordt de paleontologische publicatiekennis van de bestaanshistorie van de dierenpopulaties aangeboden, met bijzondere aandacht voor de bestaanshistorie van lokale chimpanseepopulaties en lokale-mensenpopulaties, middels zes meter lange (niet logaritmisch verkorte) tijdbalken. Daarbij is het bezoeken van paleontologische sites (Maastricht; Solnhofen) onontbeerlijk. (PALEONTOLOGISCH-Practicum)

 

De inhoud van het voorgestelde schoolprogramma wordt in deze volgende hoofdstukken uitgebreid beschreven, opdat onderwijsontwikkelaars een nauwkeurig beeld krijgen van wat de auteur noodzakelijk en wenselijk acht van wat op school aan zoŲlogie en paleontologie aangeboden zou moeten worden als het gaat om het bereiken van de existentiŽle doelstelling.

Hoodstuk 2
 

[1] De geologische tijd is een andere benoeming. Het gaat om de tijd zoals die voor bestudeerde mensen anno 2004 telt: de tijd vanaf het ontstaan van het heelal, vanaf ons zonnestelsel in onze melkweg, vanaf de aggregatie van onze planeet aarde en de tijd die voor ons ligt: de 1500 miljoen jaren dat de zon onze aarde van energie zal blijven voorzien.

[2] Overigens is het direct herkennen van 'objecten' als levend dier-zijn geen exclusieve competentie van hedendaagse mensen. Een leeuw herkent direct een buffel als levend prooidier en de buffel de leeuw als levende predator. Manifest wordt zulks als de verschillende diersoort-individuen elkaar in de ogen kijken. Het elkaar direct kunnen herkennen als levend persoon is een intrigerend gegeven in de zoŲlogische psychologische wetenschap.

[3] In het proefschrift wordt volgend observeren geschreven als volgend-observeren. Het koppelteken wordt toegevoegd omdat daarmee de woordcombimnatie de in deze studie geldende specifieke betekenis krijgt van volgen in het bestaan door de dagen weken maanden jaren heen.

[4] Bestaansobserveren heeft dezelfde betekenis als volgend-observeren. (zie vorige noot).