HOOFDSTUK 5

 Ontogenese

microscoopkijken

naar de zich opbouwende lijven

op zoek naar wat dieren zijn

ZOÖLOGIEPRACTICUM 2

hoofdstuk 5 (‘ontmoetend’ practicum 2)

de ontogenese

Omdat het bouwen van de nieuwe individuen zo ingrijpend en bepalend is voor de elke afzonderlijke diersoort is inrichting van een schoolpractica nodig. Waarin de bouw, die loopt vanaf de eerste deling tot de complete volwassenheid, door de Adolescenten met eigen ogen gezien kan worden.

Als concreet voorbeeld worden de studie de ontwikkeling van slakken gegeven. De embryogenese binnen het ei is moeilijk observeerbaar. Daarom wordt voorgesteld als algemeen model de vroege ontwikkeling binnen het ei van vertebrata te nemen, b.v. de studie van de ontwikkeling van het kuiken bepleit.

Het volgen van de groei van de jonge slakken is gemakkelijk omdat de groei naar volwassenheid gestaag en zonder grote fysieke veranderingen verloopt. Bij geleedpotigen, zoals libellen, is dat een ingewikkelder proces omdat die groei in larvestadia en een grote metamorfose naar de volwassen vorm plaats vindt.

Inleiding op dit hoofdstuk 5

In hoofdstuk 2 is ingegaan op het belang van het begrijpen door de adolescenten dat dierenpopulaties bezien kunnen worden als lijven. Zie het Aspectenschema pagina 31. Lijven die bezien kunnen worden als gehelen van bewerktuiging. Om dit begrijpen te verdiepen is het van belang dat de adolescenten zelf met eigen ogen zien hoe de lijven van de nieuwe individuen zichzelf opbouwen tot volwassen individuen: compleet bewerktuigd en daardoor compleet competent om als volwassene te functioneren (Aspect 4), te functioneren in het geheel van hun genoten, terwijl zij, als embryo en foetus, als larve, ook in die opbouwfase, bewerktuigd zijn om zichzelf in stand te houden, te groeien en te ontwikkelen. Voor larven geldt dat zij zich gedurende de gehele larveperiode kunnen handhaven, groeien en ontwikkelen, en zich zo kunnen gedragen dat alles verkregen wordt wat voor het bestaan in die periode noodzakelijk is. De ontogenese is op zichzelf een zeer intrigerend aspect van elke levende dierenpopulatie.

Zien van de ontogenese maakt deel uit van het ontmoeten van de lokale populaties van de 31-fyla-dieren anno 2004 uit de diverse clusters. Op zichzelf is dat ontmoeten uiterst interessant, maar het is zoals gezegd bovendien nodig om later de éígen eigenheid te doorzien in haar geïntegreerd-zijn in en deel uitmaken van het totaal van het geëvolueerde dierenbestand. Het zou dus een ernstige omissie zijn als de adolescenten niet met eigen ogen het lijfopbouwtraject zouden zien en meemaken.

De staat-van-design is in elk fylum anders uitgevallen. Daardoor hebben de lokale populaties de fylumspecifieke bestaanswijze gekregen die hun eigenheid bepaalt, een eigenheid die gelijk en anders is. Gelijk en anders, maar in alle gevallen en in absolute zin effectief en succesvol. Daarom wordt in dit hoofdstuk 5 onderzocht op welke wijze ‘de ontogenese van de 31 fila’ met eigen ogen gezien kan worden. Zonder goed thuis te zijn in de ontogenese is de epigenese, zoals die beschreven is in Claus Nielsens boek, niet te vatten en ontstaat er onvoldoende zicht op het typische van de 'soorten'.

Vanuit de doelstelling -het zien van de grondslagen van de lijf-designs en de daarbijbehorende levenswijzen- worden per cluster van de Adolescenten vier deelstudies (A,B,C,D) gevergd:

A – de adolescenten bestuderen het traject van de bij het microscoopkijken aan de orde zijnde groep of soort in het 'fylogenetisch schema Nielsen'; de adolescenten bestuderen elk fylum op zich binnen elk cluster; de fila, die dezelfde oerpopulatie zijn en in de loop der tijd een eigen weg gingen.

B - de adolescenten zien met eigen ogen onder de microscoopobjectieven elk moment in het gehele traject van het uit de zygote volwassen individu worden en hebben daarbij vooral oog voor de cruciale typerende momenten. Claus Nielsen geeft aan wát gevormd werd in de ontogenese op de cruciale momenten (zwarte pijlkop + tekst).

C – de adolescenten bestuderen in Ruppert and Barnes de wijze van zelfrealisatie (gedragingen, samen opereren) binnen het aan de orde zijnd cluster van fyla; zij hebben de zelfrealisatie reeds met eigen ogen gezien in (H.4), maar hier wordt gezocht naar de gemeenschappelijke eigenheid aan bewerktuiging en competenties van de in dit cluster verbonden fyla.

D – de adolescenten nemen kennis van het V-schema (evolutie van de ontogenese), en passen het toe op de aan de orde zijnde groep of soort.

Clik hier om het hele hoodstuk te lezen

Hoofdstuk 6