HOOFDSTUK 1

Een existentiŽle vraag

 

ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGISCHE VERKENNINGEN

HET BLIJKT DAT ADOLESCENTEN BIJ HET ZICHZELF BESCHOUWEN ZICH OOK VERBAZEN OVER HET FEIT DAT MENSEN BESTAAN ZOALS ZE BESTAAN.  HET VINDEN VAN EEN ANTWOORD

DOOR ZELF NA TE DENKEN LUKT NIET

In het eerste hoofdstuk wordt vastgesteld dat adolescenten zich afvragen hoe het kan dat zij bestaan, dat zij als mensen bestaan, en dat zij zijn zoals zij zijn: lijflijk en mentaal, en dat zij deel uitmaken van een gezin en een familie. Tussen andere families. De bij veel jonge mensen levende vraag wordt in dit openings-hoofdstuk verkend. Verslag wordt gedaan van onderzoek bij leerlingen van de Mavo voor de Dans te Rotterdam, van face-to-face interviews en van een heranalyse van protocollen van een ontwikkelingspsychologische doctoraal-studie uit Groningen. De saillantste uitspraak die het laatstgenoemde onderzoek opleverde luidt: "Ik vind het allemaal heel raar, dat ik besta, loop, dat andere mensen dezelfde gevoelens hebben: stom hoor. Door nadenken wordt het moeilijker, raarder; ik vind het gek dat ik besta" (meisje van 15).

De vraag van de adolescenten heeft een Ďfysiekeí basis. Adolescente jongens en meisjes zijn over het algemeen veelvuldig bezig met hun eigen lijf en hun eigen lijflijke verschijning. Het is de tijd waarin men inschat hoe leeftijdgenoten hen beoordelen. Het is de tijd van de partnerverwerving. Het is ook de tijd waarin explicieter zelf-beschouwing optreedt.

Inleiding op hoofdstuk 1

Adolescente jongens en meisjes zijn de doelgroep van deze studie, omdat zij degenen zijn die de expliciete uitspraken doen waarover later in dit hoofdstuk gesproken wordt. Zij zijn degenen die om informatie verlegen lijken.

Ontwikkelingspsychologische studies houden zich, waar het adolescenten betreft, vooral bezig met het coping-gegeven. Coping, het Engelse woord is tot het Nederlandse vakjargon gaan behoren, betreft de inspanningen die de adolescenten zich getroosten om meester/-es te worden en te blijven van de sociale en maatschappelijke situaties waarin zij betrokken zijn.

Het boek Coping and Self-concept in Adolescence, geredigeerd door Harke Bosma en Sandy Jackson (Berlin, etc.: Springer Verlag 1990) geeft zicht op deze zelfreflecties. Die inspanningen van de adolescenten zijn nodig, omdat de hen omringende wereld der volwassenen er direct of indirect blijk van geeft van hen te verwachten dat zij steeds meer en steeds zelfstandiger verantwoording nemen voor hun eigen scholing en meer uitdrukkelijk gaan participeren aan het maatschappelijk leven. Gedurende de middelbare schooltijd investeren de adolescenten in ruime mate in zichzelf, ze zoeken leer- en sportsucces, poetsen hun uiterlijk op, vergelijken zich voortdurend met leeftijdgenoten.

Deze jongens en meisjes hebben reeds een beeld van zichzelf opgebouwd gedurende hun kindertijd. De gegeven levensomgeving (sociale positie van de ouders, intellectuele en zakelijke omgeving, schoolsoort en schoolsucces) is deels al bepalend geweest voor de mate van en het karakter van de zelf-waardering (self esteem) en zelf-vreugde[1]. De consequenties van afkomst uit een bepaald milieu worden scherper gezien en worden in de middelbare schooljaren in de eigen strategieŽn verdisconteerd.

Nu als scholier van het voortgezet onderwijs evalueren zij zichzelf gedurende de jaren tekens weer, kritisch. Dat moet wel want zij moeten belangrijke keuzes maken en zich vaak intensief en jarenlang inspannen. Foute keuzes blijken grote consequenties hebben voor hun verdere levensinvulling (studies, beroep, sociale positie, inkomen, partneraanbod).

De middelbare schooljaren zijn de tijd waarin zij voor zichzelf en omtrent zichzelf conclusies trekken. Zij gaan hun eigen maatschappelijke kansen inschatten, strategieŽn ontwerpen, voornemens maken en zij gaan daarnaar hun schoolinspanningen richten en aan de gegeven mogelijkheden aanpassen. Welke studies kan ik aan, ben ik in staat tot het aangaan van durende relaties buiten de familiekring, welke beroepen spreken mij aan en in welke zou ik carriŤre kunnen maken?

Voor de interne reflectieve processen is binnen de ontwikkelingspsychologie te weinig aandacht, zegt I. Seiffge-Krenke (1990, p.208) in bovengenoemd boek. Gelukkig begrijpt de politiek steeds beter dat een deel van de ontmoedigde jongens en meisjes lastige probleemjongeren worden.

 

Tot nu toe is de bestaansvraag ('Hoe kan het dat ik besta, dat ik lijfelijk ben zoals ik ben, dat ik denken kan en spreken, et cetera') binnen de ontwikkelingspsychologie niet opgepakt. Deze vraag ligt op de rand van het bord (persoonlijke mededeling H. Bosma). Het zou voor deze studie van grote betekenis zijn geweest als er meer bekend zou zijn in deze.

Binnen dit zojuist aangeduide complex is de existentiŽle vraag gelegen die hieronder verkend wordt. Die wat meer intellectuele vraag zal niet los staan van het copingsfenomeen. Mogelijk is de vraag ook praktisch functioneel en niet alleen maar filosofisch. Door deze stand van zaken werd de auteur gedwongen de bestaansvraag maar zelf midden op het bord te leggen en zelf oriŽnterend onderzoek uit te voeren.

Deel II

Clik hier om het hele hoodstuk te lezen
 

[1] In deze studie is geen ruimte voor ontwikkelingspsychologische bespiegelingen mijnerzijds. Toch wil ik graag gezegd hebben dat het zich competent maken tot het meenemen van de omringende dierenpopulaties in het eigen bestaan (hier in deze studie bepleit) zal leiden tot dimensievergroting van het beleven van het bestaan, tot persoonlijke bestaans-vreugde. Deze gevoelens en overtuigingen liggen binnen het omvattende self esteem (term uit de ontwikkelingspsychologie), in de zin van zichzelf van waarde achten.