Algemene introductie

Existentieel Biologieonderwijs is als titel voor deze studie gekozen, omdat hij in de kortste bewoordingen de hoofdintentie van het werk aangeeft. Anno 1967 zegt de Biologische Raad in haar Programmabasis Biologie dat biologie de basis is van het natuurwetenschappelijk wereldbeeld, van de visie op de natuur. In het verlengde daarvan wordt hier gesteld dat existentieel biologieonderwijs een bijzondere bijdrage kan leveren aan de kwaliteit van het als mens bestaan van de Nederlandse Jongens en Meisjes[1], door hen inzicht te verschaffen in hun fysieke staat.

De studie richt zich op de belangen van opgroeiende jonge mensen die zich oriŽnteren in de wereld om hen heen, waarin ze reeds vanaf hun geboorte een plaats innemen. Groter wordend willen zij die wereld explicieter onder hun eigen controle brengen. Zij moeten immers aan het in standhouden van de samenleving gaan participeren. Zij moeten een positie gaan innemen tussen de oudere ervaren werkers. Daarbij zijn zij voor zichzelf als bestaand wezen (entiteit) onderwerp van onderzoek en beschouwing. Zij stellen zich vragen over zichzelf. De ontwikkelingspsychologie onderzoekt dit fenomeen. Een deel van het interessante fenomeen blijft binnen de ontwikkelingspsychologie nog op de rand van het bord liggen. Hoe kan het dat ik besta, dat ik ben zoals ik ben. De pedagogiek beluistert de vraag en kan deze, zoals in deze studie gebeurd als existentieel beschouwen: en daarom als naarstig te beantwoorden. De pedagoog vraagt zich af wat het uitmaakt of die bestaansvraag wel of niet beantwoord wordt. Vermoed wordt dat met het antwoord de kaders gegeven worden waarbinnen mensen zichzelf kunnen zien en samen aan hun bestaan en toekomst kunnen werken.

Omdat de vraag sterk fysiek is (je bent een levend wezen, je bent een levend lijf) zal de wetenschap die een concreet antwoord in huis heeft geen andere kunnen zijn dan de biologie. Wat heeft de biologie vandaag de dag in huis? Welke van haar inhouden zouden relevantie kunnen hebben voor het antwoord? En als er inhouden aangeboden zouden moeten worden: wie zou dat dan moeten doen? En hoe?

In deze studie staat het ontwerpen van een biologisch antwoord centraal. Of er een adequaat antwoord mogelijk zal afhangen van de beschikbare kennis en de inzichten van de biologische wetenschap. En vervolgens of die biologische inhouden in de vorm van een onderwijsprogramma toegankelijk kunnen worden gemaakt.

Om als pedagoog de relevante inhouden binnen de biologie te weten te komen moet de pedagoog, uiteindelijk zoals elke andere wetenschapper, zich verdiepen in de biologie als wetenschap, en in het bijzonder in de zoŲlogie. En daarbinnen in de paleontologie. Deze last bleek voor de auteur gaandeweg een lust te zijn. Het bleek dat de biologie over een enorm assortiment aan concrete informatie beschikt. Eenmaal daarmee enigszins vertrouwd geraakt, lag er de opdracht tot het zoeken naar de inhouden die voor het existentiŽle antwoord van belang zouden kunnen zijn en tot het zoeken naar werkwijzen om die inhouden voor de adolescenten zodanig bereikbaar te maken dat ze van persoonlijke 'existentiŽle' betekenis kunnen worden.

 

Het corpus van de studie bestaat uit de schets van een onderwijsprogramma, een leerplan, in eerste instantie gestemd voor opleidingen voor biologieleraren. Het leerprogramma is gebaseerd op een ambitieuze doelstelling, namelijk de Jongens en Meisjes Adolescenten te leren de eigenheid van de dieren, zoals die zich manifesteert in elke lokale dierenpopulatie, te doorzien. En uiteindelijk zichzelf in hun dier-zijn. Hun te leren om het bestaan met de omringende dierenpopulaties bewust te delen[2] Het zullen de biologieleraren zijn - hun zij ruimte gegeven - die het voorgestelde moeten vertalen naar de praktijk van hun school.


Deel I

[1] Jongens en Meisjes worden met hoofdletters geschreven, zo ook Adolescenten, omdat dit de feitelijke hoofdpersonen van het proefschrift zijn. Zij  worden ook wel in een blok gevat als Jongens&Meisjes. Ik vermijd de woorden leerlingen en scholieren omdat deze verengend zijn en de persoon als zodanig te weinig voorop stellen. Bij existentiŽle doelstellingen gaat het niet zo zeer om veel weten (schoolkennis) maar vooral om veel te doorzien. (Vgl. Domasio, 1994)

[2] Het woord existentieel komt vooral voor binnen de filosofie. Door de jaren heen gezocht naar de betekenis van het menselijk bestaan. Descartes, Kant, Nietzsche, Husserl, Heidegger en Sartre zijn denkers die de existentie van mensen (elke lokale mensenpopulatie), hhun existeren aan de orde hebben gesteld. Bleib die Erde treu (Nietzsche) slaat de brug naar Jonas: Wir sind Leib, waarbij de biologie uitdrukkelijk tot grondslag van het denken wordt gemaakt.